Overdenkingen met betrekking tot geweld, praktisch idealisme
en de Indiase situatie.
Onze eenentwintigste eeuw lijkt begonnen met een gewaagde belofte en een
verwarrende paradox. De belofte is die van de virtueel onbegrensde macht,
die recente revoluties in ruimtewetenschap, informatietechnologie en genetische
manipulatie die de mens de mogelijkheid heeft gegeven om de toekomst van
de soort te bepalen. De paradox is dat tegelijk met deze ongekende uitbreiding
van macht, het geweld in zijn talrijke vormen en verschijningen minder controleerbaar
en alomtegenwoordig is en de fundamenten van het beschaafde leven zelf uitholt.
Wat bracht de verheviging en verspreiding van geweld teweeg de afgelopen
tijd? Sinds het gruwelijke experiment in Hiroshima, zijn er geen wereldoorlogen
meer uitgebroken, zoals die tweemaal plaatsvonden in de eerste helft van
de twintigste eeuw. Maar oorlogen op een veel kleinere schaal gaan onverminderd
door, tussen landen en binnen samenlevingen, in verschillende delen van
de wereld. Daarnaast steekt de laatste jaren een georganiseerd terrorisme
toegerust met geavanceerde vernietigingswapens op internationale schaal
de kop op, in staat om diep leed te veroorzaken, niet alleen aan degenen
die het als zijn vijanden beschouwt, maar ook voor een veel grotere groep
van hulpeloze onschuldigen. Verontrustend is de omvang van geweld in het
dagelijks leven van gewone mensen, thuis en op school, in onze onderlinge
relaties en gewoontes, ons denken, voelen en dromen. In Das Unbehagen
in der Kultur, dat het fenomeen geweld tot onderwerp heeft, toont Sigmund
Freud nauwgezet aan dat er 'in de menselijke geest een krachtige groep agressieve
en destructieve instincten aanwezig is die een voortdurende strijd leveren
met de tegenovergestelde groep die streeft naar behoud en harmonie.' Twee
jaar later stelde Albert Einstein Freud de volgende vraag: ' Is het mogelijk
om de geestelijke evolutie van de mens te controleren met het doel hem bestand
te maken tegen de psychoses van haat en vernietiging?' Freud was er niet
zeker van of het culturele proces, zoals zich dat ontwikkelde in de loop
van de sociale evolutie, ' in staat zal zijn de storingen binnen een gemeenschap
ontstaan door het menselijk instinct van agressie en destructie uit te bannen'.
Maar hij hoopte dat het culturele proces dat ' neigt het intellect te sterken
en zo greep te krijgen op ons instinctieve leven en daardoor kan meewerken
aan het bedwingen van de agressieve impuls', samen met ' een gefundeerde
angst van de consequenties van grootschalige vernietiging, mogen meehelpen
om explosies van geweld onder controle te houden.' Deze psychologische bron
van geweld wordt versterkt door de wijze waarop de maatschappij georganiseerd
is en waarin een groot gedeelte van de wereldbevolking underdog blijft ,
terwijl een dominante minderheid de bronnen en macht beheerst. Degenen die
aan de top staan aarzelen zelden om alle middelen in het werk te stellen
tegen degenen die hun bevoorrechte positie bedreigen. Ontberingen, gevoel
van onrechtvaardigheid, ervaring met verschillende vormen van afpersing
en exploitatie, doen hen die zich onder aan de ladder bevinden toevlucht
nemen tot geweld. De gevechten tussen hen aan de top leiden tot oorlogen
tussen rivaliserende staten. Daarnaast bestaat in vrijwel elke maatschappij
een onderstroom van wantrouwen en conflict tussen de machthebbers en de
kansloze meerderheid. In democratische politieke systemen die gesteund worden
door ontwikkelde economieën worden sociale veiligheidsmaatregelen getroffen
om de condities van de minder bedeelde sectoren van de gemeenschap te verbeteren
en zo de conflictsituaties terug te dringen.
In
landen die geregeerd worden door een autoritair systeem met een onderontwikkelde
economie is geweld veel intenser, veelvuldig en wijdvertakt. Onder de factoren
die zorgden voor verergering van conflicten en geweld de afgelopen decennia
zijn er een paar zo op te noemen: sinds millennia hebben zijn heilige geschriften
en andere middelen en technieken voor hersenspoeling met succes ingezet
om invloed uit te oefenen op de zwakkere gelederen van de gemeenschap waardoor
ze hun ongelijke situatie accepteerden als goddelijk bepaald. Sinds het
begin van de industriële revolutie begon die betovering aan kracht te verliezen
en in recente decennia is de wil om zich tegen ongelijkheid te verzetten
opvallend gegroeid. Op veel plaatsen wordt deze groeiende massale onvrede
echter uitgebuit door gewetenloze demagogen of fanatieke ideologieën over
duizendjarige rijken. Daarnaast is het proces van de vervreemding van de
mens, begonnen tijdens de industriële revolutie, de laatste jaren versneld.
Een snelle afbraak binnen menselijke relaties en de uitholling van traditionele
instellingen, normen en waardesystemen, laat een groeiend aantal mannen
en vrouwen geestelijk ongewapend en kwetsbaar over aan de invloed van fanatici
uit zowel religieuze als wereldse hoek.
De
twintigste eeuw begon voor India met een in potentie explosieve situatie
die verschillende factoren behelsde. Hiervan was het opkomend Indiase Nationalisme
het meest dominant. Andere factoren vormden de groeiende verbittering en
vijandschap tussen de twee grootste religieuze gemeenschappen op het subcontinent,
de Hindoes en de Moslims; de verlate pogingen van de lagere Hindoe kasten
om hun rechten op te eisen tegen de eeuwenoude overheersing en tirannie
van de hogere kasten; het eerste slecht georganiseerde verzet van arbeiders
en boeren tegen de uitbuiting door landeigenaren en geldschieters; en het
begin van een protest tegen onderdrukking van vrouwen dat zo diep verankerd
zit in de Indiase maatschappij. Vlak na hun ontstaan werden de militante
Indiase nationalisten door de buitenlandse heersers gedwongen ondergronds
te gaan en gewelddadige methoden te gebruiken die ten tijde van WOI leidden
tot een poging van gewapend verzet. Dit werd meedogenloos onderdrukt door
de veel beter georganiseerde machthebbers, maar de publieke onvrede bleef
na het eind van de oorlog in hevigheid groeien evenals de dreiging van extreem
geweld en chaos. Op dit kritieke moment kwamen twee van de grootste persoonlijkheden
van het moderne India, M . K. Gandhi en Rabindranath Tagore met ideeën en
praktische voorstellen over een doeltreffend verzet van onbewapende mensen
tegen de machtige heersers en het grondvesten van een vrije en harmonieuze
samenleving in India. Hun benaderingen verschilden zeer van elkaar en ze
raakten vaak verzeild in openlijke meningsverschillen, maar elk van hen
kwam met weldoordachte en positieve alternatieven voor het tot dan toe gebruikelijke
gebedel van de gematigde leiders en het gewelddadige, maar vruchteloze revolutioneren
van de militante nationalisten. Gandhi, die al met beperkt succes zijn methode
van Satyagraha, of geweldloze non-cooperation, in Zuid Afrika had geprobeerd,
startte zijn geweldloze Satyagraha in 1920 op een nationale schaal in India.
Deze beweging riep Indiërs op tot een totale boycot van Britse scholen,
rechtbanken, banen, producten en onderscheidingen. In eerste instantie ontlokte
het een brede respons van het volk, en duizenden mannen en vrouwen beantwoordden
vol enthousiasme zijn oproep en trotseerden openlijk de wetten die de buitenlandse
overheerser had opgelegd. Gandhi's voornaamste verdienste was het om op
grote schaal , zij het tijdelijk, de geest van zelf respect, moed en zelfvertrouwen
op te wekken in een onderdrukt en ontwapend volk.
boze
en ongedisciplineerde massa's aantrok, verloor het zijn oorspronkelijk karakter;
het werd gewelddadig en eiste meer geweld van zijn leiders. In 1934 ontbond
Gandhi de beweging en gaf zijn vergissing toe. Toen in 1942, voornamelijk
op Gandhi's aandrang de 'Quit India' beweging werd gelanceerd, werd die
onmiddellijk overspoeld door geweld. Rabindranath Tagore verwierp het idee
van de non-cooperation en waarschuwde Gandhi bij herhaling dat massale Satyagraha
zou leiden tot groepsgewelddadigheden. In plaats daarvan formuleerde hij
zijn eigen ideaal en streefde naar constructieve samenwerking en het kweken
van meer begrip tussen India en het Westen. Hij ontwikkelde instituten en
programma's om het evenwicht tussen mens en natuur, individu en gemeenschap,
het zelf en de arbeid te bevorderen, daarbij studenten en docenten stimulerend
om mee te werken aan de wederopbouw van het platteland. Hij schiep een uniek
model van een harmonieuze samenleving in Shantiniketan. Zowel Tagore als
Gandhi pleitten onophoudelijk voor decentralisatie en machtsoverdracht en
het bevorderen van een netwerk van kleine gemeenschappen die zich grotendeels
zelf zouden kunnen voorzien .
In
de jaren veertig dreef India aan op een ramp die resulteerde in de traumatische
ervaring van de Partition. De deling van het subcontinent in een islamitisch
Oost- en West Pakistan en een Hindoeïstisch India werd voorafgegaan door
etnische rellen en moordpartijen op een niet eerder voorgekomen schaal,
gevolgd door de verschrikking van massale verhuizingen van miljoenen mensen
die verdreven van hun grondgebied wanhopig probeerden elders een nieuw leven
op te bouwen.. Alhoewel India haar onafhankelijkheid bereikte dankzij de
onderhandeling tussen de vertrekkende buitenlandse heersers en de politieke
leiders van het land, zijn weinig conflicthaarden op het subcontinent verdwenen
en daarentegen velen verhevigd gedurende de laatste vijftig jaar. Ten gunste
van India geldt dat het in staat is geweest om een gebied met verschillende
taalgroepen, godsdiensten, culturen en etniciteiten bijeen te houden; het
heeft, op een paar tijdelijke dwalingen na , haar democratische politieke
systeem behouden; het heeft een mate van industriële vooruitgang bereikt
en is sinds kort bezig met de vooruitgang in de informatietechnologie. Tegelijkertijd
breidde de groep mensen die tot de hogere- en middenklasse behoort zich
flink uit en zorgde voor een groeiende markt voor luxe artikelen. Maar even
snel als de officieel gepubliceerde vooruitgang heeft de kloof tussen de
bevoorrechten en de slechter bedeelden zich verbreed en verdiept. De Partition
heeft niets opgelost, integendeel India's relatie met Pakistan beweegt zich
tussen koude oorlog en openlijke vijandigheden, Kashmir blijft de etterende
wond van het subcontinent, agressief religieus fundamentalisme zowel onder
Hindoes en Moslims is de laatste jaren toegenomen. Hierbij zijn de georganiseerde
aanslagen op christelijke missionarissen en missieposten gekomen. Kastenoorlogen
komen steeds vaker voor, in het bijzonder op het platteland tussen de Dalits
(kastelozen ) en gewapende Hindoes van de hoogste kaste; India's oostelijke
grens in het Himalaya gebergte staat in vlammen door etnische opstanden;
er is een hernieuwde opleving van gewelddadig verzet van Naxalites in Bihar
en Andhra Pradesh, gesteund door de groeiende verslechterende situatie van
de tribalen en de plattelandsbevolking. De democratische constitutie van
de Indiase staat lijkt aan het begin van de 21e eeuw een gevecht van leven
op dood te voeren tegen de vernietigende invasie van corruptie, criminaliteit
en alomtegenwoordig geweld. Hebben de voorstellen en krachtsinspanningen
van praktische idealisten zoals Gandhi en Tagore met betrekking tot de crisis
die de nieuwe eeuw tegemoet ziet alle betekenis verloren?
Zonder
al te optimistisch te zijn, is het de moeite waard om in overweging te nemen
of de essentie van hun programma's niet nog steeds een schat aan mogelijkheden
bevat die een actuele waarde hebben. Freud en Einstein zouden het met Tagore
en Gandhi eens geweest zijn dat door het stimuleren van een veelomvattend
educatief programma en constructieve pogingen de krachten in de menselijke
geest te behouden en verenigen en de mogelijkheid om te bereiken dat de
agressieve impulsen naar binnen keren, mannen en vrouwen beter toegerust
te zijn om conflictgebieden en openbaar geweld te reduceren. Zo'n onderwijsprogramma
zou zelfs de weg kunnen bereiden voor het bestaan van een gezonde en harmonieuze
maatschappij waar macht is gedecentraliseerd , collectieve beslissingen
gebaseerd zijn op consensus en de gewone man effectief zijn eigen zaken
runt dankzij een democratisch netwerk. De rol en verantwoordelijkheid van
gewetensvolle en creatieve intellectuelen kan binnen deze context nauwelijks
overschat worden. In het vormen van de publieke opinie vandaag de dag, in
positieve of negatieve zin, is het machtigste medium film en televisie.
Een film is natuurlijk in de eerste plaats een kunstwerk. Maar tegelijkertijd
zou het een machtig instrument voor maatschappelijke vernieuwing kunnen
zijn door een waarheidsgetrouwe afspiegeling te geven van de realiteit van
hedendaags geweld in zijn vele verschijningsvormen en zijn diepgewortelde
oorzaken te onderzoeken en te focussen op die verborgen kiemen in de menselijke
geest die verzoening en vrede beloven. Is de Indiase filmindustrie zich
bewust van deze taak, gepreoccupeerd als ze nog steeds lijkt te zijn door
spektakel, absurdisme en romantische fantasie? De films die het huidige
Cinema India programma vormen kunnen misschien een voorlopig antwoord verschaffen.
Professor Sibnarayan Ray